
Deel
1 van Zeríans Vloek
Flaptekst
Eeuwen geleden stuitte een jonge Heks op een profetie over een kind van licht en duister. Bij gebrek aan informatie schonk ze hier geen aandacht aan, tot jaren later een voornaam raadsheer, Vai’Sayan, een gevaarlijke aanleg voor de duistere tak van de magie toonde. Zijn ontmoeting met Alvitiria, gemalin van koning Regali en fervent aanhangster van de witte magie, leidde tot de geboorte van Mashangar.
De Heks, nu oud en stervend, zag haar fout in en trachtte alsnog in te grijpen. Met haar laatste krachten incarneerde ze haar eigen magische essentie in een jonger en krachtiger lichaam, maar haar spreuk trof ook anderen die bij de geboorte van Mashangar betrokken waren. Deze mensen, waaronder Vai’Sayan, Alvitiria en Mashangar zelf, werden veroordeeld tot een eeuwig leven. Een bestaan in de Tussenwereld waar zij moesten wachten op een nieuwe breuk in het evenwicht tussen licht en duister op de wereld, op de nieuwe wederopstanding van Mashangar die het lot van de wereld diende te bepalen door te kiezen voor een van zijn ouders.
Zo ging het al vele honderden jaren lang op dezelfde manier, volgens eenzelfde chronologie.
Waarom gaat het dan deze keer anders?
In de veronderstelling dat ze Mashangar reeds gevonden hebben, proberen de Discipelen Vai’Sayans essentie die in de Zwarte Wortelboom rust, te laten herrijzen, maar dat mislukt. Hun actie leidt tot een aantal reacties binnen hun eigen gelederen, maar ook de rest van de wereld zal snel ondervinden dat er een grote verandering op til is…
Fragment
‘Je hebt lang geslapen.’ Shere’Lifsíl knipperde met haar ogen, om haar zicht scherp te stellen. Ze herkende de vrouw niet die tot haar sprak. Behoedzaam deinsde ze achteruit, toen de onbekende vrouw een hand uitstak met een vochtige doek erin. ‘Rustig maar, ik wil alleen je gezicht betten.’ Haar stem klonk vriendelijk, maar Shere’Lifsíl kon zien dat ze op haar hoede was. ‘Hoe voel je je?’
‘Goed… denk ik,’ antwoordde Shere’Lifsíl aarzelend. Ze keek de vrouw die aan haar bed zat onderzoekend aan. In het licht van de kaarsen zag ze er welwillend genoeg uit, maar de jonge vrouw ontdekte harde trekken in het ogenschijnlijk vriendelijke gezicht. Harde trekken die op wantrouwen wezen. ‘U hebt mij gered,’ zei ze zacht. ‘Dank u.’
De vrouw glimlachte, maar de lach reikte niet verder dan haar mond. ‘Die eer valt mij niet te beurt. Je uiteindelijke redding hangt volledig van jezelf af.’ Ze nam de doek weg en stond recht. ‘Ik neem aan dat je honger hebt.’ Ze wees naar een met voedsel en drank volgeladen tafel aan het ronde venster aan de linkerzijde van het bed. Maanlicht sijpelde door het raam naar binnen en werd opgeslokt door het licht dat de kaarsen verspreidden. ‘Ga je gang. Het is speciaal voor je bereid.’
Shere’Lifsíl keek haar verward na, toen ze het vertrek verliet. Dan richtte ze zich voorzichtig op in bed en staarde naar de tafel. Haar maag knorde. Langzaam liet ze zich uit het bed glijden en schoof aan. Terwijl ze van het gevulde brood, de kaas en de vruchten at, vroeg ze zich af waar ze was. Ze herinnerde zich vrijwel niets van de laatste paar dagen.
Een klop op de deur deed haar opschrikken en ze liet bijna het stuk kaas uit haar hand vallen. Het gezicht van een jongeling verscheen behoedzaam voorbij de deurstijl en een brede lach speelde om zijn lippen, toen hij haar zag zitten.
‘U bent weer beter!’ zei hij. ‘Ik hoorde dat u wakker was, dus…’ Hij liet de deur achter zich dicht glijden en keek haar vrolijk aan.
‘Eh…’ zei ze met volle mond. Hij lijkt echt verheugd om mij te zien. Ze bloosde onder zijn open blik en een onaangename warmte kroop langs haar kaken. De jongeling leek niet echt veel ouder dan zijzelf.
‘Sorry voor wat er gebeurd is.’ Hij krabde zich kwajongensachtig door zijn haar, dat donker was als ebbenhout. ‘Ik wist niet wat voor effect het op u zou hebben.’ Hij grijnsde. ‘Ik heb de steen nu veilig weggeborgen. Ik wilde hem weggooien, maar Sioku heeft me ervan overtuigd dat ik hem beter houd. Voorlopig toch.’ Hij schokschouderde.
Sprakeloos keek ze hem aan. Steen? Sioku?
Hij keek terug, zichtbaar verward door het gemis aan uitdrukking op haar gezicht. ‘U hebt er geen flauw idee van waar ik het over heb, hè?’ vroeg hij uiteindelijk, terwijl hij zijn armen slap langs zijn lichaam liet hangen. Ontgoocheling versluierde de pretlichtjes in zijn ogen.
Ze legde het stuk kaas neer en schudde langzaam haar hoofd. ‘Nee, het spijt me.’
‘En u weet dan misschien ook niet meer wie ik ben?’ Opnieuw schudde ze haar hoofd. De jongen grimaste teleurgesteld. ‘Kent u uw eigen naam?’ wilde hij weten.
‘Mijn naam? Ja. Shere’Lifsíl.’ De jongeling knikte zichtbaar opgelucht. ‘Maar ik herinner me bitter weinig van de afgelopen dagen. Blijkbaar weet u meer?’ Hoopvol nam ze hem op.
De jongeling knarsetandde. Het scheen Shere’Lifsíl toe dat hij in zichzelf overlegde wat hij wel of niet kon vertellen. ‘Het spijt me,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ik ben bang dat u voor die informatie bij de Vrouwe van Margel zult moeten te rade gaan. Zij heeft u verzorgd terwijl u… ziek was.’
De hapering in zijn stem was subtiel, maar ze ving hem desondanks op. Ziek? Ze mocht zich dan weinig herinneren, maar ze wist zeker dat ze niet ziek was geweest. Niet in die zin van het woord. En Margel? De naam deed ergens een belletje rinkelen, dat ze evenwel niet kon plaatsen. Ze vernauwde haar ogen tot spleetjes. ‘De Vrouwe van Margel?’
‘Kahsun’Lyr. Ik heb ze niet zo lang geleden zien buitenkomen uit uw kamer, dus u zult haar allicht al gezien hebben.’ Een ontspannen grijns gleed over zijn gezicht. Slechts even aarzelde hij. Dan stak hij zijn hand naar haar uit. ‘Ik ben Ortiq,’ zei hij.
‘Ortiq?’ herhaalde ze en het was alsof iets gedurende korte tijd alle lucht uit haar longen wegnam. Beelden dansten voor haar ogen. Een zwarte dode boom, een dreiging, ongenoemd, handen die zich naar haar uitstrekten, een jongen met haren in de kleur van ebbenhout – Ortiq! – een reusachtige vogel die haar met de jongen wegvoerde – Rerr! En dan verscheen het gezicht van Ashimael. De schok was verschrikkelijk. Ashimael! Ze knipperde met haar ogen, snakkend naar adem. Hij komt hierheen! Ze gleed opzij in de stoel, haar ene hand op haar borst, de andere aan haar keel. Het ademen werd steeds moeilijker. Hij komt hierheen. Hij komt me halen! Nieuwe beelden drongen zich aan haar op: een gevecht in een andere dimensie, Kahsun’Lyr, Merthisse… Ze vochten. Wie had gewonnen? Ze zag zichzelf, een smekeling aan de voeten van de Vrouwe. Ze voelde opnieuw het zwaard door zich heen gaan en een kreet welde op in haar keel, zonder een echt geluid te worden. Ze viel opzij, in de armen van Ortiq. De jongen keek geschokt op haar neer.
‘Hij komt er aan,’ fluisterde ze.
Toen werd alles zwart.