
Deel 2 van Zeríans Vloek
Flaptekst
De wereld
verandert, maar niet op de verwachte manier. De chronologie die de grote machten
van het evenwicht steevast konden vertrouwen, volgt een geheel eigen weg die
niemand voorzien heeft. Of wel? Hebben de Muziekwevers in het verre Oosten vermoedens,
visioenen die een tipje van de eigenaardige sluier kunnen oplichten? Vervullen
luitenant Thraës, verraadster Sayath, bakkerszoon Ortiq en het meisje Razneí
cruciale rollen op weg naar dat nieuwe evenwicht?
Zware slagen zijn immers toegebracht aan het broze evenwicht tussen Duisternis
en Licht. Ashimael is dodelijk getroffen, de Tempel van Margel vernietigd en
een heuse genocide heeft de Kroonstad van Almarind gedecimeerd. Het Zeewoud
blijft evenmin gespaard: één stam heeft zich tegen alle andere
gekeerd.
Rhyss de WaterHeer verdwijnt spoorloos; zijn Staf is bezoedeld met khalard,
de veile magie van de Nacht. Kahsun’Lyr, Vrouwe van Margel sterft een
pijnlijke dood. De Bron van Macht die zij beschermde, is gedoofd waardoor de
Vuurmagie langzaam maar zeker dooft.
Gevangen in hun respectievelijke Witte en Zwarte Wortelboom kunnen Alvitiria en Vai’Sayan fysiek niets ondernemen, maar hun vazallen zijn aardig in de weer om de loop der gebeurtenissen om te buigen in hun eigen voordeel. De Discipelen van Vai’Sayan vechten om elkaar voor te zijn terwijl de Lotsverbondenen van Alvitiria wanhopig trachten elkaar terug te vinden. Intussen schijnt boven hen een roestige maansikkel, die een oude profetie inluidt…
Als
de dromen waarheid worden
En de maan een sikkel is van roest
Zal de nacht langzaam neerdalen
Over de wereld zoals die thans bestaat
En zij zal chaos met zich brengen.
Als
de dromen waarheid worden
Verbonden met de levens der stervelingen
Zal de dag ophouden te bestaan
Hoedster en Paladijn zullen niet langer
Instaan voor het draaien van de wereld.
Als
de dromen waarheid worden
En het kind van de maan neerdaalt
Terwijl elders een kind wordt geboren
Zal de dood huizen in ogen van zilver,
Zal een eind komen aan alle dromen.
Over Wortelboom:
“Epische fantasy in de traditie van Tolkien, Jordan, Lee en Williams.” – Eddy C. Bertin, auteur
“… een kei van een aanrader voor de meer ervaren fantasy lezer…” – Astrid Lecomte, redacteur van Pure Fantasy Magazine
“…kwalitatief vergelijkbaar met het beste der gerenommeerde grootmeesters…” – Beldarans leestip op diverse fora
“Erg boeiend, knap
opgezet, een wereld met vele facetten.” – Peter Schaap, auteur
Fragment
Shin’Kahdir
verliet de hut. De andere kinderen keken hem na. Hij kon hun nieuwsgierig glanzende
oogjes in zijn rug voelen prikken terwijl hij voortliep. Hij voelde zich langer
dan anders, alsof zijn lichaam op korte tijd veel gegroeid was, maar wanneer
hij naar zijn voeten en handen keek, leek er niets veranderd. Behalve dan dat
zijn huid gloeide rond de polsen en onderarmen. Het gaf hem een waanzinnig gevoel
van macht. Diep vanbinnen had hij op dit moment gewacht. De roep die hem al
enige tijd achtervolgde, had hij op een of andere manier weten te beantwoorden.
Dit was de erkenning. Hij moest er gevolg aan geven.
Hij gluurde omhoog, naar de roodgloeiende maan en stak in een opwelling van
baldadigheid zijn tong uit. De Maanhoedster kon hem wat op dit moment. Met vastberaden
tred stapte hij naar het waterbekken waar de Dromenlezers telkens de gewone
rituelen uitvoerden. Eigenlijk was hij liever naar het grote bekken gegaan,
waar de Maanhoedster geconsulteerd werd, maar dat was verboden terrein en bovendien
groot geheim. Alleen de volwassenen wisten waar het zich bevond. Pas wanneer
een kind was ingewijd, beschikte het over het recht deze consulten bij te wonen.
Shin’Kahdir vond het grote onzin. Wat kon er nou zo anders zijn aan dat
ene waterbekken? Water was water.
Bij het rituele bekken aangekomen bleef Shin’Kahdir staan. Gedurende enige
tijd bewoog hij zich niet. De wind fluisterde, de lucht was roodpaars gekleurd;
de schemering liep teneinde. Boven zich zag hij hoe de maan omfloerst was door
gouden schakeringen. Dat was vreemd. Hij kon zich niet herinneren iets dergelijks
ooit gezien te hebben. Of toch, had het er niet zo uitgezien toen in zijn droom,
die de Dromenlezers geduid hadden als een teken dat hij beschermd was door de
maan? Het leek al zo lang geleden, maar in die droom hadden maan en zon elkaar
omhelsd, als geliefden. Zoals Sefthi deed bij haar man. Shin’Kahdir trok
een bedachtzame wenkbrauw op.
Hij richtte zijn aandacht op de waterspiegel. Langzaam boog hij voorover en
tuurde naar zichzelf. Een ernstig gezicht, ovaal, olijfgroene huid, rode haren.
Maar er was iets anders. Iets in zijn blik, wat maakte dat hij zichzelf niet
herkende. Geschrokken deinsde hij achteruit. De tatoeages kriebelden op zijn
huid en het kostte hem veel moeite om er niet aan te krabben. Het beeld in het
water veranderde; flarden van een wit hemd wapperden om zijn armen, zijn gezicht
en borst zaten onder de snijwonden en brandblaren, om hem heen flitste bliksem
in verschillende kleuren. Shin’Kahdir voelde zich aangetrokken tot dat
beeld. Dit was meer dan herkenning.
Was hij dit zelf?
Diep binnenin roerde zich iets. De blijdschap om de tatoeages verdween, naarmate
de herinnering aan de poort van vuur en de beelden van zijn meditatie intenser
werden. En die andere essentie in zijn ziel bewoog, strekte zijn klauwen uit
en hulde de kleine jongen die Shin’Kahdir was in een mist van verwarring.
‘Shin’Kahdir…’ fluisterde een stem. Hij slikte. Hij
zag zichzelf praten in het water. De waterjongen strekte zijn arm, bijna smekend.
Zijn vingers dropen van het bloed. ‘Help me!’