Ruisende stilte (2011)
Kobe is gedumpt. Door Laura. En ditmaal belt hij niet terug
om haar uit te schelden en dan zelf de bons te geven, zoals hij gewend was bij
al zijn vorige vriendinnen. Alle vrouwen zijn immers sletten. Toch? Of toch
niet? Want wie is toch die Lore die hij op het strand ontmoet? Die ongrijpbare
Lore? En wat wil zij hem duidelijk maken?
Fragment
Hij boog zijn hoofd en legde zijn handen achter in zijn nek. Moe was hij, onbeschrijflijk
moe. En niet zozeer wegens slaapgebrek. Het was eigenlijk ook niet zijn lichaam
dat moe was. Het was zijn hoofd. Soms voelde het alsof hij iets zocht. Wat het
was,
geen idee. Hij had geen zin om te zoeken. Hij weifelde of hij zijn moeder zou
bellen. Hij kon al raden wat ze zou zeggen, maar goed, hij had iémand
nodig nu. Zijn hand reikte al naar zijn mobiele telefoon, maar stopte halverwege.
Nee. Toch nog even niet.
Even niet.
De hunkering naar eenzaamheid was groter dan die bij iemand te willen zijn.
Hij begreep het niet. Het voelde vreemd. Niet echt. Toch was het niet helemaal
onaangenaam. In zijn hoofd was het stil, maar niet volledig. Gedachten gonsden
als bijen in een korf, als bladeren die ritselden in de wind en een eigen leven
gingen leiden. Hij maakte een onbestemd geluid bij de analogie, omdat die hem
deed denken aan hoe lang het geleden was dat hij in een bos geweest was. En
nu hij erover nadacht: er was veel in zijn leven dat hem jaren terug voerde.
Wat had hij al die tijd gedaan? Een gevoel van verloren tijd bekroop hem. Wat
als hij vandaag doodging, wat had hij dan betekend voor de wereld? Een huivering
trok over zijn ruggengraat en gaf hem kippenvel. Snel nam hij een slok cola.
Een dezer dagen zou hij bij Laura langs moeten gaan om zijn spullen op te halen.
Ook al kenden ze elkaar pas twee maanden, hij was snel bij haar ingetrokken.
Per slot van rekening chatten ze al meer dan vijf jaar met elkaar; dat stond
gelijk aan een soort van elkaar kennen. Hij wreef over zijn kaak. Laura echter
had al na een drietal weken beweerd dat hij haar verstikte. Hij begreep het
niet. Hij had het recht te weten waar ze uithing en met wie. Bij vorige vriendinnen
had hij hun mobiele telefoons gecontroleerd op verdachte tekstberichten. Stiekem,
op het toilet. Dat had hij bij Laura niet gedaan. Hij was daar best trots op.
Het betekende dat hij leerde van zijn fouten. Hoewel, fouten… Ze hadden
het uitgelokt, die trienen, stuk voor stuk. Hij had het Laura veelvuldig voor
de voeten gesmeten: ik bespioneer je toch niet, ik laat je
toch in je waarde? En toch beschuldigde ze hem van verstikken. Hij schudde het
hoofd. Wie verstikte wie, hè? Zij was er toch ook bij geweest toen hij
bij haar ingetrokken was? Dolenthousiast was ze geweest, elke nacht samen in
bed en niet alleen, elke ochtend samen wakker worden en niet alleen. Kom op,
zeg.
In gedachten zag hij Laura’s boze gezicht weer voor zich. “Geef
me ruimte,” had ze geroepen. Voor hem was de uitbarsting als een donderslag
bij heldere hemel gekomen. Ze was op hem gevlogen zodra hij was thuisgekomen.
Als een furie. Als een helleveeg. Hij had haar de huid vol gescholden. Wie dacht
ze wel dat ze was? Als ze zo over zijn gedrag viel, dan kon het niet anders
zijn of ze had wat te verbergen. Toen kwamen de tranen, natuurlijk. Stom wijf.
Maar goed dat hij haar kwijt was. Niets dan ellende zou het geworden zijn.
Hij gulpte zijn cola naar binnen terwijl hij zijn sleutels oppakte, gooide het
verschuldigde bedrag op tafel en vertrok. Hij deed zelfs geen moeite meer om
de aandacht van het dienstmeisje te trekken.
Witte
vlam (2010)
Bron is een van de beste genezeressen die de Orde kent, maar
sinds enige tijd heeft ze last van steeds erger wordende pijnen. Bron probeert
ze te negeren, maar soms kan ze helemaal niets meer. Ze vindt het vreselijk
dat deze pijn haar leven zo beïnvloedt en gaat op zoek naar een oplossing.
Als niets helpt, wendt ze zich tot de Dromenlezers, wat ze niemand vertelt,
zelfs haar man niet. Brons vrees om uit de Orde gezet te worden, wordt steeds
groter, haar prestaties steeds dramatischer. Wat kan ze doen?!
Witte vlam speelt zich in de wereld van de Muziekwevers en de Maanhoedster,
afkomstig uit Thirza Meta's romancyclus Zeríans
Vloek, verschenen bij uitgeverij Kramat. In het te verschijnen vierde deel
raakt Bron vervuld van een Lied van het Verleden, waarin de Eerste DrakenHeer
haar toezingt. Dit Lied is nodig om het Verboden Boek Isangraille te vernietigen.
Fragment
Het kindje lag slap in Brons handen. Vetsmeer en bloed ontsierden het blauwe
velletje. Bron beet op haar onderlip. Haar verkrampende vingers slaagden er
met moeite in de klem om de navelstreng te plaatsen. Pijn schoot door haar handen,
haar armen. Ze was doodsbang om het kind te laten vallen. Die angst zorgde voor
de kracht die ze nodig had. Ze graaide naar een doek, terwijl ze het kindje
dicht tegen zich aanhield, en tegelijk een schuine blik op Erfil wierp.
‘Het is een jongen,’ zei ze zacht en veegde het ergste bloed van
het gezichtje. Zijn lipjes waren paarsblauw en zijn oogjes stijf dicht. Met
de moed der wanhoop sloeg ze het met vlakke hand op de rug, in een poging de
slijmpjes uit zijn longen te dwingen.
Het kind gaf geen krimp.
‘Hoe ziet hij eruit?’ Erfil klonk moe, maar zielsgelukkig. ‘Is
hij mooi?’
Bron slikte. Het kindje wás mooi. Donkere haartjes, amandelvormige oogjes,
een wipneusje en fraaie, ronde oortjes. Ze wilde – nee. Een zwangerschap,
laat staan een bevalling zou te veel van haar lichaam vergen. Door die gedachte
voelde ze ineens hoe ze snel aan kracht verloor. De bevalling had te lang geduurd,
niet alleen voor moeder en kind, maar ook voor haar. Ze vocht tegen de duizelingen
en de braakneigingen die louter en alleen door de pijnen kwamen opzetten. Ze
trachtte de plotse kou die flauwvallen steeds voorafging terug te dringen. Diep
ademhalend zocht ze innerlijke rust. Hoewel die de pijnen niet kon wegnemen,
merkte ze wel dat het hielp, al was het weinig.
Zaterdag (2009)
In het tweede
weekend van september 2003 beleefde ik mijn allereerste schrijfweekend bij Maryson
in Kats. Na een dagje tot krampens toe oefenen en leren volgde de zondag het
Korte Verhaal. Ik schreef Zaterdag, gebaseerd op echte personen.
Het is opgenomen in OpSpraak.
Beproeving
(2010)
In het Ierland van de late middeleeuwen is het leven hard. Dat
ondervindt Airid, de schrijver van Vrouwe Altach, wanneer zijn dochter bij de
geboorte overlijdt. Dat ondervindt ook de kleine Fàir in een dorp verderop,
die tot haar felle schrik ziet hoe de boerderij van haar ouders plotseling in
vlammen opgaat. Dat ondervinden nog veel meer gezinnen in de omgeving, want
er is een bende kinderrovers actief.
Airid krijgt in zijn verdriet een opdracht van vrouwe Altach die hem hard valt.
Maar het lot helpt hem.
Fragment
Een heldere lach schalt over de wei en overstemt het beekje dat zich kabbelend
een weg baant door het met sneeuw bedekte gras. De lach wordt gevolgd door een
uitgelaten kreet als een meisje met kortgeknipt bruin haar over de beek springt.
Achter haar rent een hond. Wanneer het kind struikelt en plat op de grond valt,
springt de hond boven op haar. ‘Gekke Luath!’ roept ze terwijl ze
zich onder de poten van het dier vandaan wurmt en zich op haar rug draait.
De hond blaft opgewonden en likt haar gezicht. Het meisje lacht en doet een
halfslachtige poging om het dier af te weren. Luath danst een weinig achteruit,
zodat het meisje overeind kan zitten. Ze spreidt haar armen en grijnst: ‘Kom
hier!’
Met haar gezicht tegen de bruingevlekte vacht van de hond staart het meisje
over de beek in de verte, waar een dikke rookpluim opstijgt. Dat is thuis. Maar
die rook… Ze voelt alle warmte uit haar gezicht wegtrekken. Het kind springt
overeind, haar lichaam strak van spanning.
‘Luath?’ Haar stem klinkt angstig en slaat over. ‘Luath, er
is iets mis.’
Het meisje stapt aarzelend naar de beek. Zwarte rook is het enige dat ze ziet
op de plaats waar de boerderij van haar ouders staat. In paniek zet ze het op
een lopen, dwars door het ijskoude water, stuntelig tegen de oever opklimmend.
De hond blaft vrolijk, denkend dat het om een spelletje gaat. Happend naar haar
enkels jaagt ze het kind op.
In haar haast glijdt het meisje uit op het houten opstapje over een omheining
die twee weilanden scheidt. Snikkend krabbelt ze overeind. Mama! Papa! Weer
valt ze, ditmaal door toedoen van Luath die denkt dat het tijd is om te spelen.
Papa! Met een verkleumd handje veegt het kind de tranen uit haar ogen. Nooit
eerder heeft de tocht van de muur tot het huis zo lang geleken. Halfweg houdt
ze stil. Luath jankt hoog en langgerekt. Ze rent verder, sneller dan ze ooit
gedaan heeft. Struikelend over haar eigen voeten.
Vlammen slaan door het dak van de boerderij. De raamopeningen beneden zijn zwartgeblakerde
gaten waaruit vurige tongen slaan. De rook is dikker geworden. Het kind hoest
en wrijft in haar prikkende ogen. Dan begint ze weer te rennen, gevolgd door
een wild blaffende hond. Paniekerig geloei komt haar tegemoet. Bij het lage
stenen muurtje waarachter haar moeder een kruidentuin aangelegd heeft, blijft
ze staan. Het gebulder dat haar oren bereikt, doet haar denken aan het vuur
in de open haard dat papa ’s winters altijd aansteekt, maar dan luider,
veel luider. Het overstemt haar gehijg en het hevige bonzen van haar hart. Haar
blik wordt opzij gerukt als plots een koe door de stalmuur breekt en struikelend
wegrent. Ze gilt en springt achteruit, waarop Luath vrolijk blaffend rondjes
om haar heen draait. Het licht van de vlammen geeft het gezicht van het kind
een gouden gloed. Zweetdruppeltjes parelen op haar voorhoofd en neus.
‘Mama!’ gilt ze. ‘Papa!’
In paniek rent ze naar het huis. Dan verschijnt een vrouw in een van de dakramen;
ze zwaait. ‘Fàir!’ roept ze haar dochter toe. ‘Ga weg
van hier!’
Ik
zie je! (2009)
Op oudejaarsdag loopt Marie door de stad met een stapel folders in haar
handen. Op de folder prijken twee fotos van Serge, haar zoontje dat al jaren
vermist wordt. Niemand die haar helpen kan, zo lijkt het. Doodvermoeid zoekt
Marie rust bij twee zwervers.
Fragment
Geschrokken wierp Marie haar handen omhoog. De hele bundel opsporingsberichten
vloog door de lucht. De papieren dwarrelden samen met de dichter vallende sneeuw
omlaag.
‘Stom mens!’ riep de buschauffeur haar na, zwaaiend met zijn vuist.
Een bericht kwam vast te zitten op zijn voorruit, de twee gezichten van Serge
recht naar Marie gekeerd. Met de ruitenwisser maakte de buschauffeur er korte
metten mee. Het verwrongen lachje van Serge was te veel. Marie draaide zich
om en zette het op een lopen. Weg van de grote massa ongeïnteresseerde
mensen die alleen maar met zichzelf bezig waren, met hun eigen leuke gezinnetjes
en prachtige kerstbomen, met al hun dure kerstcadeaus en weelderige diners.
Marie rende naar de kade van de rivier die de stad doorkruiste.
Lichtjes waren in de bomen gehangen die de kade sierden. Daar waar het stadscentrum
overging in eenzaamheid, voorbij de brug, hingen geen lichtjes meer. Daar was
het donker, afgezien van de enkele geïmproviseerde vuurkorf die op de kasseien
stond. Marie rende erheen. Ze liep puur op adrenaline, voelde geen kou of vermoeidheid,
wilde alleen weg van al die zelfvoldane mensen die haar de hele dag lang al
vernederd hadden. De buschauffeur was de druppel geweest. Ze kon het niet meer.
Georges. Zijn naam galmde door haar geest, hunkerend, smekend. Natuurlijk kwam
er geen antwoord.
Hij zal wel gelukkig zijn met zijn Elise.
De gedachte doorkliefde de adrenaline. Hijgend kwam Marie tot stilstand, vlakbij
de eerste vuurkorf. In de verte zag ze er nog twee. Ze wierpen geeloranje vlekjes
op het kabbelende water van de rivier. Twee mannen keken op. Ze stonden hun
handen te warmen; de vuurkorf gaf hun gezichten een goudgele warmte.
‘Zo, dat was rennen,’ stelde een van hen vast.
Leven
na sterven (2009)
Het is koud. In het bos probeert een kleine marter de winter
te overleven. Dan. Pijn. Fel licht. Bloedspetters.
Als hij zich opricht, bevindt hij zich elders, met vele andere dieren. Pas langzaam
dringt de waarheid tot hem door. En, meer nog dan de waarheid, het doel van
hun samenzijn.
Fragment
Ik ben Kayla. En jij?’
‘Effil.’
‘Oh juist ja, sorry, ik ben niet goed in het onthouden van namen. Nooit
geweest.’
‘Geeft niets. Het zevende leven al, hè?’ Ik kan het treiterige
toontje niet onderdrukken. Het is gewoon niet eerlijk dat katten negen levens
krijgen en de rest van ons maar één.
‘In je herinneringen ben je nochtans twee eerdere keren de dodendans ontsprongen,’
merkt Kayla fijntjes op.
Verrek, kan dat beest mijn gedachten lezen?
‘Yup.’ Ze klinkt jeugdig en zelfvoldaan. En bovendien nogal menselijk.
‘Komt omdat ik drie jaar bij een mensengroep heb gewoond. Aardig, hoor,
tikkeltje overbezorgd. Misschien met reden.
'Ik was ontsnapt, op zoek naar nachtelijk avontuur,’ ginnegapt ze, ‘en
toen zo’n monstermachine. Niets aan te doen. Ik ben nu negen jaar, en
al zeven levens heb ik verbeurd.’
Ik weet niet wat ik kan zeggen, dus zwijg ik.
Vuurbloem
(2009)
Het begint als een eenvoudige wandeling naar het park.
Dan gaat het regenen. Plots herkent Amélie de omgeving niet meer. Wat
gebeurt er? Ze ontmoet een oude vrouw die van een plots voor haar verschenen
muur af kwam. De vrouw trekt haar mee naar binnen en ze raakt in een vervoering
die kwalijke gevolgen voor haar heeft. Wie is die vrouw? Wat doet ze met haar?
En, allerbelangrijkst: zal ze dit overleven?
Fragment
Amélie deinsde terug. Een plotse windvlaag rukte de paraplu uit haar
handen. Ze huiverde, ze wilde wegrennen zo snel ze kon, maar merkte dat ze als
aan de grond vastgenageld stond.
‘Wie bent u?’ fluisterde ze ontzet.
De oude dame schudde heftig het hoofd. ‘Zwijg, Jezebel!’ Haar vrije
hand vloog naar haar borst alsof ze dacht dat Amélie haar frontaal ging
aanvallen. De lantaarn beefde in haar andere hand en veroorzaakte schaduwen
die grimmig flakkerden.
Voorzichtig stak Amélie haar hand op, met de palm naar boven. Het oudje
slaakte een gil die door merg en been ging. Bliksem scheurde de lucht open,
gevolgd door een krakende donder die de stenen onder Amélie’s voeten
deed trillen.
De oude vrouw draaide zich om en struikelde over haar omslagdoek. Amélie
had nog niet eerder opgemerkt hoe klein de vrouw was. De punt van de omslagdoek
die over haar rug lag, sleepte over de grond. De lantaarn kletterde op de grond,
het lawaai werd verzwolgen door de regen.
‘Nee, nee!’ smeekte de oude vrouw. Het krassen van haar stem was
overgegaan in een schor piepen. ‘Ga weg, laat me met rust!’ Ze maakte
houterig een afwerend gebaar met haar beide handen, alsof ze een teken in de
lucht vormde, onzichtbaar voor het blote oog. ‘Blijf weg van mij, addergebroed!’
Ze maakte een nieuw gebaar, een ingewikkeld vingerspel. Een nieuwe gil snerpte
van haar dunne lippen. Een kreet alsof het besje gefolterd werd, vervuld van
pijn, angst en vaag, heel vaag een spoor van woest verzet.
Duisternis omhulde haar als een maalstroom, rukkend aan haar regenmantel, trekkend
aan haar haren tot het pijn deed. Amélie gilde en stak haar handen op
om ze over haar oren te leggen maar merkte dat ze dat niet kon. Ze leek gevangen
in de wind, omwikkeld als een mummie. Geschrokken opende ze haar ogen. Voor
haar tekende zich een bijzonder schouwspel af. Een houten staak met meerdere
gebundelde takkenbossen eromheen geschikt werd op luid gejuich onthaald door
tientallen mensen in typisch middeleeuwse klederdracht. Amélie kon zien
dat de takken droog waren. Bijzonder ontvlambaar. Haar ogen verwijdden zich,
evenzo haar neusvleugels. Een brandstapel! Ze wilde haar blik opzij wenden,
maar ze kon het niet. Haar hoofd leek vast te zitten. Toen ze haar gezicht naar
de ene kant bewoog, voelde ze een koud oppervlak. Ook aan de andere kant was
dit het geval. Al haar pogingen om te ontdekken wát het precies was,
draaiden op kramp en ergernis uit. Ze probeerde haar handen te bewegen, haar
vingers. Ook daar was koude een eerste gewaarwording. En pijn. Ze kende pijn.
Ze had al heel wat pijn mogen ervaren, hoe jong ze ook was. Dit deed haar denken
aan boeien. Zware, smeedijzeren boeien die strak om haar polsen en, zo voelde
ze nu, ook om haar enkels geklonken waren. Wellicht had ze om haar hoofd ook
een soort boei. Een heksenhoofd. Ze vernauwde haar ogen. Diep in haar smeulde
een onbekend, opstandig vuur.
Dachten ze nu echt dat ze haar hiermee konden tegenhouden? Misschien. Ze voelde
een steekje van twijfel. Uiteindelijk hadden ze haar ook hier gekregen. Gevangen,
gekluisterd, gemarteld.
‘De idioten,’ fluisterde ze.
Pijn
(2009)
Angst voor
het onvermijdelijke en aanvaarding van het onmogelijke.
Verscheen in de bundel Time Out bij Kramat.
Nimfenwater
(2009)
Dit is het tweede verhaal dat ik schreef voor de PHP
2007. Het eindigde - voor mij verrassend - op de 11de plek en is opgenomen in
BoF Verborgen achter de horizon.
Zoet
is de wraak (2008)
Dit was mijn tweede verhaal voor de najaars-UA. Oorspronkelijk
heette het Bastet en bij nader inzien had ik het misschien beter zo gelaten,
omdat er weinig echte wraak in het verhaal voorkomt. Hoe dan ook, dit was mijn
eerste echte spannende niet-fantasy verhaal en ik ben er nog altijd megatrots
op. Het werd 3de op 14 inzendingen en is opgenomen in de derde Jaarbundel van
Pure Fantasy.
Uit
de gratie (2008)
Het verhaal van twee
godjes die koste wat het kost proberen om opnieuw in de gratie te komen van
de grote Maghour.
Verscheen in PF-10.
Elfjes
uit Ierland (2006)
Mijn allereerste publicatie
verscheen in de speciale Castlefest-editie van Pure
Fantasy in de zomer van 2006.